De nare kanten van reguliere katoenproductie – en hoe het ook beter kan

Van ondergoed, tot t-shirts tot spijkerbroeken en van handdoeken en lakens tot dekbedovertrekken – we hebben allemaal veel katoen in de kast. Katoen is een van de meest geteelde natuurlijke grondstoffen voor kleding. Katoen heeft veel voordelen; het is behoorlijk slijtvast, draagt lekker en luchtig, het is recyclebaar en biologisch afbreekbaar. Ook brengt het geen microplastics in het milieu. 

What’s not to love? Helaas, de huidige katoenteelt heeft grote nadelen op zowel milieu als sociaal gebied.

Katoen verwoest meer dan je lief is

Voor de productie van katoen is heel veel grond nodig, wat in sommige gevallen leidt tot ontbossing, wat op zijn beurt weer ongunstig is met betrekking tot erosie van gronden en het vasthouden van CO2. Er worden bij de teelt heel veel (soms zelfs verboden) pesticiden, insecticiden en ontbladeringsmiddelen gebruikt die in het milieu terechtkomen en de biodiversiteit en de waterkwaliteit aantasten. Wereldwijd is de reguliere katoenteelt (op ongeveer 2,5 % van de beschikbare landbouwgrond) verantwoordelijk voor ongeveer 16% van het gebruik van insecticiden; en gemiddeld wordt 20 keer per teeltseizoen gespoten. Voor één kilo katoen wordt ongeveer drie kilo aan chemicaliën gebruikt.

In de reguliere katoenteelt wordt veel gebruikgemaakt van genetisch gemodificeerde zaden. Alleen al in India is dit bijna 95 procent. Hoewel die planten beter resistent lijken tegen veel voorkomende plagen en extreme milieuomstandigheden, leidt dit onder meer tot verlies van genetische diversiteit en uiteindelijk toenemende vatbaarheid voor schadelijke organismen waartegen geen resistentie bestaat.

Daarnaast vraagt zowel teelt als verwerking veel water; er is berekend dat in één T-shirt ongeveer 2700 liter water zit en in één spijkerbroek maar liefst 8000 liter. Ook die waterbehoefte zorgt voor milieuproblemen als verdroging, verzilting en erosie. Een aantal van de katoenproducerende landen zoals India, Turkije, Pakistan, China en ook delen van de VS heeft inmiddels te maken met waterschaarste en vervuilde waterbronnen. 

Zo vormt zich een vicieuze cirkel: uitgeputte gronden, waterschaarste, verzwakte planten en dus worden er meer chemische hulpmiddelen ingezet om hetzelfde oogst volume te bereiken, wat de milieuproblemen alleen nog meer vergroot.

Het machinaal verwerken van katoen tot kleding of andere bruikbare stoffen, spinnen, weven, naaien, is energie-intensief.  En veel van die energie wordt geleverd door fossiele brandstoffen, wat bijdraagt aan klimaatverandering.

Voor het verven van katoen is opnieuw veel water nodig. Daarnaast worden bij het verven chemicaliën gebruikt die schadelijk zijn voor mens en milieu. Verder wordt de stof vaak met chemicaliën behandeld om het soepeler of zachter te maken of om een voorkrimp te doen. Een groot deel van die stoffen wordt als afvalwater niet gezuiverd en spoelt uit naar het milieu, een deel blijft achter in het materiaal en daarmee de kleding die wij dragen.

Katoen gaat de hele wereld over voordat het van ruwe grondstof is omgewerkt tot een draagbaar kledingstuk. En ook dat transport is verantwoordelijk voor grote CO2 uitstoot.

En de mensen dan?

Katoen voorziet in het levensonderhoud van ongeveer 350 miljoen mensen wereldwijd en zo’n 75% daarvan wordt geproduceerd door kleine boeren. De eerder genoemde chemicaliën, waterschaarste en watervervuiling hebben grote negatieve gevolgen voor de gezondheid en levenskwaliteit van deze arbeiders en hun families die van het werk afhankelijk zijn. De katoenprijs is laag, waardoor veel families in armoede leven. Kinderen moeten vaak meewerken. Bovendien is katoen kwetsbaar voor veranderingen in temperatuur en regenval. Katoenboeren worden dus zwaar getroffen door de gevolgen van klimaatverandering. Oogsten mislukken door zowel overstromingen als periodes van droogte, waardoor de armoede nog meer toeneemt en voedselzekerheid afneemt. Katoenboeren hebben onvoldoende middelen om de teelt aan te passen of naar duurzame alternatieven te zoeken.. Ze moeten leningen afsluiten voor zaden en ongediertebestrijding, die zij vaak moeilijk kunnen afbetalen. Zo ontstaat een voortdurende cyclus van (klimaat)armoede, schuldenlast en afhankelijkheid. 

Alsof dit alles nog niet voldoende is, staat de verwerkende katoenindustrie helaas bekend om de slechte arbeidsomstandigheden. Het verwerken van de grondstof tot kleding vindt veelal plaats in de zogeheten lage-lonen-landen, waar werknemers worden blootgesteld aan lange werkdagen, lage salarissen en onveilige omstandigheden, met soms afschuwelijke gevolgen – denk aan de verschillende branden met dodelijke gevolgen in nauwelijks op veiligheid gecontroleerde kledingfabrieken in Bangladesh, waar zo’n 40 % van de fabrieksarbeiders afhankelijk is van werk in de kledingindustrie. Ook hier is er vaak sprake van kinderarbeid.

Gebeurt er dan niets om dit te verbeteren?

Ja, gelukkig wel. 

Er komen steeds meer initiatieven om te komen tot een meer duurzame en eerlijke katoenproductie.

Zo is er het Better Cotton Initiative, een samenwerkingsverband van ontwikkelings- en milieuorganisaties (zoals Het Wereld Natuur Fonds en Solidaridad) en het bedrijfsleven waaronder grote kledingmerken, dat zich inzet voor beter bodemgebruik en efficiënt watergebruik (hoewel het niet verboden is om katoen te telen in waterschaarse regio’s) en een meer duurzame productie, onder andere door minder gebruik van schadelijke pesticiden en trainingen van katoenboeren, met speciale aandacht voor vrouwen en ook het tegengaan van kinderarbeid. BCI is niet specifiek gericht op biologische katoenteelt en het tegengaan van GMO’s. Ook mogen kunstmest en pesticiden nog worden gebruikt. Merken mogen het Better Cotton-label gebruiken als minimaal 5% van het door hen gebruikte katoen onder het Better Cotton-label valt én als hun streven is om binnen 5 jaar minimaal 50% van hun katoen Better Cotton te laten zijn. Van een specifiek kledingstuk dat jij koopt is het dus niet duidelijk hoeveel ‘beter katoen’ er in zit. BCI is een vrij laagdrempelige manier voor katoenboeren om een stap richting meer duurzaamheid te maken en voor merken om een groen label te krijgen, inmiddels is het goed voor bijna 15% van de wereldwijde katoenproductie - door een miljoen boeren. BCI is een stap op weg naar een duurzamere katoenteelt, maar zou juist door de laagdrempeligheid op termijn misschien ook een rem kunnen zijn om de katoenteelt écht verder te verduurzamen. Ook houdt BCI zich niet bezig met de sociale aspecten van katoenverwerking in fabrieken en ateliers.

Veel verder dan BCI gaat de Global Organic Textile Standard (GOTS), een internationaal keurmerk dat eisen stelt aan zowel de productie van de vezels als de verwerking ervan tot kleding. Tenminste 70 procent (made with organic) of minstens 95 procent (organic) van het kledingstuk moet uit biologisch geproduceerde materialen bestaan. Er moet een waterbeheerplan zijn (ook hier geen verbod op teelt in waterschaarse gebieden) en er mogen geen GMO’s gebruikt worden bij de teelt. Bij de verwerking mogen geen gevaarlijke stoffen gebruikt worden en er wordt gelet op efficiënt gebruik van water en energie. Afvalwater (van bijvoorbeeld bleken of verven) moet gezuiverd worden en de gebruikte stoffen moeten voldoen aan minimumeisen voor wat betreft giftigheid en biologische afbreekbaarheid. Er zijn ook eisen voor de arbeidsomstandigheden, een veilige werkomgeving en een minimumloon in de fabrieken en kledingateliers. Controles worden uitgevoerd door een onafhankelijke, geaccrediteerde instantie. Biologisch katoen is hiermee veel gezonder voor mens en milieu.

Organisaties als Solidaridad helpen kleine katoenboeren bij trainingen voor en invoeren van meer duurzame landbouwtechnieken, irrigatie- en waterhergebruik of biologische (wissel)teelt. Hierdoor neemt de bodemvruchtbaarheid en daarmee de productie van katoen en voedsel toe waardoor de boeren meer bestaanszekerheid hebben. Ook wordt ondersteund bij het leveren van zaaigoed en hulpmiddelen en het vinden van directe afzetmarkten zonder tussenhandel. Ook Fairtrade, van oorsprong een Nederlands keurmerk van stichting Max Havelaar, richt zich op goede milieu- en werkomstandigheden, arbeidsrechten, een eerlijke minimumprijs, onderwijs en gemeenschapsprojecten voor boeren en hun families, die werken in coöperaties met democratische besluitvorming. Met een leefbaar inkomen is er voldoende geld om een dak boven het hoofd, eten, kleding en medische zorg te betalen, kinderen naar school te sturen en een beetje extra over te houden voor noodsituaties en om te sparen, nadat de landbouw kosten volledig gedekt zijn. De Fair Wear Foundation richt zich vooral op goede omstandigheden en een eerlijk loon in textielfabrieken.

Ga je dus iets nieuws aanschaffen van katoen? Kijk dan vooral naar informatie over de herkomst en hoe het gemaakt is en kijk in de winkel of er een keurmerk op de kleding zit. Zo kunnen we met iedere aankoop bijdragen aan een eerlijke én schonere katoenteelt. 

Wil je meer weten over keurmerken of milieuschade in de textielketen? Kijk dan bijvoorbeeld bij de keurmerkenwijzer of dit artikel over de klimaat- en milieu impact van Milieu Centraal. De Schone Kleren Campagnes heeft een ‘brand tracker’ waarmee je kunt zien welke merken zich houden aan of inzetten voor goede arbeidsomstandigheden in de kledingsector.

Ons eigen merk Van Nature

In ons Duurzame Warenhuis verkopen we naast andere, duurzame kledingmerken ook ons eigen merk Van Nature Basics. Duurzame Warenhuis oprichters Rudie en Jonny wilden een duurzaam en sociaal initiatief bieden voor de katoenen kleding die onder de beschreven slechte omstandigheden wordt geproduceerd en zulke negatieve effecten heeft.

Voor Rudie was een belangrijke drijfveer een diepe betrokkenheid met de katoenteelt en de katoenboer.  ‘We dragen allemaal katoenen kleding, maar wat betekent dat voor de grond waar de katoenplant op groeit, voor het water en gif wat erbij gebruikt wordt, voor de boer en de katoenplukkers? Een biologisch en sociaal alternatief is nodig en daarom wilden we een eigen basic kledinglijn van katoen opzetten en dat is gelukt!’

Rudie en Jonny vonden een partner in Stanley/Stella, een onderneming met duurzaamheid in het hart van hun bedrijfscultuur. Ze leveren katoenen kleding aan een netwerk van retailers. De katoenteelt vindt plaats in India en Turkije en het wordt verwerkt tot kleding in Bangladesh, alles volgens strikte milieu- en sociale eisen, onder veilige en goede arbeidsomstandigheden en tegen een eerlijk loon. Alle onderdelen van de productie worden regelmatig gecontroleerd. De kleding is GOTS-gecertificeerd en Stanley/Stella is bovendien lid van de Fair Wear Foundation. Transparantie over de bedrijfsvoering staat hoog in het vaandel. In hun duurzaamheidsrapportage geven ze uitgebreid toelichting op hun uitgangspunten en werkwijze.

Voor de Van Nature Basics worden de labels in de kleding milieuvriendelijk bedrukt bij drukkerij Groene Was in Nijmegen, die vaste partner is van Stanley/Stella. Net als bij de natuurvoedingswinkel vinden Jonny en Rudie ook voor Het Duurzame Warenhuis lokale connecties belangrijk.

Jonny: ‘Naast de milieuaspecten van de teelt en verwerking van de katoen en de sociale aspecten van de verwerking tot kleding, vonden we het bovendien van belang dat duurzame kleding ook kan worden gedragen door mensen met een smallere beurs. Daarom hebben wij voor onze katoenen basics bewust de bedrijfs beslissing genomen om genoegen te nemen met een veel kleinere marge dan gebruikelijk is. Hiermee is onze Van Nature Basics lijn niet alleen duurzaam maar ook betaalbaar.’

Comfortabele T-shirts, joggingbroeken en sweaters met en zonder capuchon, gemaakt van biologisch katoen en in verschillende kleuren. Je kunt ze met een gerust hart aanschaffen en er het liefst heel lang mee doen!

In het kader van ons 10-jarig bestaan krijgt de Van Nature Basics lijn nu het eigen Duurzame Warenhuis label: dezelfde idealen en kwaliteit met een nieuwe naam.

Vorige
Vorige

Seasalt - geïnspireerd door kust en zee

Volgende
Volgende

De basics van Het Café